Sinds ruim een jaar is een provinciale Gebiedscommissie  in het ZWK aan het werk met als doel: voltooien van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en het realiseren van Waterbergingsgebieden binnen dit NN. Het eerste dient in 2027 afgerond te zijn, het tweede moet al in 2020 operationeel zijn. De waterberging betreft drie gebieden: De Drie Polders, Polder De Dijken en het gebied Dwarsdiep.

De aanpak van de Gebiedscommissie (met Prolander als uitvoerende organisatie) wordt gekenmerkt door het ruimhartig gelegenheid geven aan de bewoners en andere betrokkenen d.m.v. zgn. "schetssessies" waar iedereen zijn ideeën omtrent de ontwikkeling van het onderhavige gebied kan ventileren. Men heeft geleerd van vroegere projecten dat het van bovenaf pushen van plannen vaak contraproductief werkt. Tevens speelt daarbij een rol de noodzaak om zo snel mogelijk een operationeel waterbergingsgebied te creeëren om de te verwachten wateroverlast goed te kunnen opvangen (zie project "Droge Voeten"). Dat moet zo min mogelijk gehinderd worden door mogelijke beroepsprocedures. Aanpak en verslaggeving van dit project vind regelmatig plaats via de website van de Gebiedscommissie ZWK.

De plannen voor De Drie Polders en de Polder Dijken lijken redelijk probleemloos gerealiseerd te kunnen worden. In het Dwarsdiep gebied zijn de problemen gecompliceerder en ook bij de realisering van het NNN stuit men op taaie problemen (bv. in de Doezumermieden). Wat ons betreft signaleren wij de volgende heikele punten:

  1. Ten Zuiden van het Dwarsdiep bevindt zich een botanisch zeer waardevol drassig grasland, dat door jarenlang extensief beheer alle kenmerken van een "blauw grasland" heeft gekregen. Overstroming met gebiedsvreemd voedselrijk water zou desastreus zijn voor de waarde van dit gebied en dient ten alle tijde te worden voorkomen. Weliswaar zal de hoofdstroom bij wateroverlast vanuit het ZW komen (en dus minder voedselrijk zijn) maar het is nog onduidelijk waar de (voedselrijke) ooststroom en de weststroom elkaar zullen ontmoeten. Nader onderzoek naar dit systeem en ontwerp van noodzakelijke voorzieningen om de schade te beperken, is nodig.
  2. In diverse natuurgebieden zijn er "onwillige" boeren die hun wijze van landbouw bedrijven niet willen aanpassen aan de natuurdoelstelling die met het gebied beooogd wordt. SBB probeert zoveel mogelijk gebieden te verwerven, maar ook boeren en particulieren kunnen, met behoud van eigendomsrechten, aan natuurontwikkeling meewerken. Moderne landbouwmethoden zijn echter strijdig met die natuurbelangen. Het valt niet te verwachten dat deze landbouwbedrijven  vrijwillig met netuurontwikkeling akkoord zullen gaan. Dan resteert slechts het uitkopen, verplaatsen en/of onteigenen van deze bedrijven. Dat is een zeer kostbare en langdurige onderneming en het is maar de vraag of de provincie hiertoe kan en wil overgaan.....

Na anderhalf jaar een slapend bestaan geleid te hebben is de commissie "Kleine landschapselementen" (meestal "Houtsingelcommissie" genoemd) onlangs weer nieuw leven ingeblazen. De deelnemende partijen (gemeenten, provincie, landbouw- en natuurvertegenwoordigers) hebben onderling afgesproken agendapunten in te brengen en twee keer per jaar bijeen te komen.

Het houtsingelonderhoud blijft een punt van aanhoudende zorg. De evaluatie van het tot nu toe gevoerde beleid (zoals het hanteren van spelregels bij kapvergunningen en de effecten van subsidiemaatregelen)  laat sterk te wensen over. Over de handhaving van de kapverordening (die thans deel uit maakt van de provinciale omgevingsverordening) is afgesproken dat gemeenten en provincie hierin beter gaan samenwerken. Krachtens de Boswet is de provincie bevoegd om een kapvergunningen af te geven als het gaat om een singel van meer dan 20 bomen. De provincie heeft een ambtenaar aangesteld die hierin handhavend kan optreden.

Met het oog op de toekomstige samenvoeging van de drie ZWK-gemeenten is onderlinge afstemming van het gevoerde beleid dringend gewenst. Zo heeft Grootegast  een procedure om monumentale bomen (ook binnen de bebouwde kom) te beschermen, terwijl dat in Marum en Leek ontbreekt.

 

De laatste tijd is er een verhoogde activiteit waarneembaar onder boeren met een intensieve veehouderij als hoofdbedrijf. Meestal gaat het om varkens en kippen (legbatterijen en "plofkippen").
De provincie Groningen heeft de uitbreidingsmogelijkheden van intensieve veehouderijbedrijven sterk aan banden gelegd d.m.v. de Omgevingsverordening. Deze is onlangs bijgesteld en zal de komende twee jaar blijven gelden. In grote delen van de provincie zitten de intensieve veehouderij bedrijven "op slot" - d.w.z. ze mogen niet uitbreiden. In het Westerkwartier is alleen uitbreiding toegestaan in het uiterste zuiden van het ZWK, tegen de Friese en Drentse grens (zie kaart). In dit gebied (groen gekleurd) is er een hoge dichtheid aan intensieve veehouderijbedrijven (zie de zwarte stippen). Deze bedrijven zijn de laatste jaren druk bezig te moderniseren. Oude stallen worden vervangen door nieuwe. Door toepassing van nieuwe technieken kan de uitstoot van ammoniak, fijnstof en geuremissie sterk worden verminderd. Het worden gesloten systemen, met weinig emissie. Vanwege het dierenwelzijn wordt er een minimumoppervlakte per dier gehandhaafd, maar ja....het blijven wel bioindustrieën! De toepassing van nieuwe technologieën stelt de boeren in staat om méér dieren te houden, terwijl de emissie toch niet toeneemt. Die technologie is dan ook alleen maar betaalbaar bij een groter aantal dieren (soms wel 10x zoveel!). De nieuwe milieuvergunningen die deze bedrijven krijgen voldoen tot nu toe allemaal aan de eisen van de Omgevingsverordening.
Ondertussen is er een groeiende groep bewoners van deze streek (zie hun website) die zich zorgen maakt over toename van het aantal dieren. Die nieuwe technologie is dan wel prachtig, maar als een boer op een warme dag z'n staldeuren open zet, is de stank niet te harden! Ook de risico's voor de volksgezondheid baren zorgen: het zijn dan weliswaar gesloten systemen, maar in geval van calamiteiten (bv. brand) zijn de gevolgen moeilijk in te schatten. De hoop is gevestigd op de staatssecretaris van Volksgezondheid die een maximum aantal dieren in stallen per vierkante kilometer overweegt.